Inleiding III
Dat kan haast niet anders dan iemand uit Nederland zijn: iemand die zo vroeg belt, is er één die zich verkeken heeft op het tijdsverschil met Canada. Ik kijk op het display. Nr. blocked. Tweede aanwijzing.
Ik neem op.
Een man met een overduidelijk Duits accent begint te praten en ik denk heel even: dit is zo’n meneer die je eindeloos blijft uitleggen dat je toch echt een creditcard bij hem moet aanvragen. Maar nee.
Hij heeft via via begrepen dat ik Nederlands spreek. Op zich niet zo raar, maar wel als je bedenkt dat je nog niet zo heel lang in een klein Canadees gehucht woont. En dat je nog niet zo veel mensen kent.
Hij wil weten hoe goed mijn Nederlands is. “Ja, natürlich,” zeg ik. “Ik spreek Nederlands.”
Hij lacht. Ik hoor papier schuiven, alsof hij ergens een lijstje afvinkt. Dan komt de echte vraag.
Of ik wel eens een leider ben geweest. Een tourleider annex chauffeur annex kok.
Ik kijk naar mijn aanrecht: eieren, pan, espresso, twee kinderen met stroopwangen. “Nou,” zeg ik, “ik kan koken. Ik kan rijden. Leidinggeven kan ik ook.” Het klinkt alsof ik mezelf overtuig.
De man Wolfgang wil dus weten of ik deze zomer voor hem kan werken. Het is nog niet echt de tijd van het jaar om aan de zomer te denken.
Ik eindig het gesprek met: “Wolfgang, ik bel je begin volgende week terug.” Eerst maar eens sneeuw ruimen.
En even later vliegen we met z’n vieren op de slee het pad af.
Ja. De zomer is vast eerder dan ik nu denk.
Misschien leuk!?