Inleiding I
We worden net wakker en strekken ons nog een keer uit; er is veel meer licht dan anders in onze kamer. Het is niet dat licht in de wintermaanden in overdaad aanwezig is in Nelson. Sterker nog: de zon staat zo laag dat hij nauwelijks over de bergen komt. Op de kortste dagen is de zon van tien uur ’s ochtends tot twee uur ’s middags te zien, dit nog los van de laaghangende bewolking die het lokale vliegveld zijn bijnaam heeft gegeven: Cancelgar.
Maar zouden we gisteravond het licht vergeten uit te doen? Of heeft iemand het zojuist aangedaan? Of dromen we?
Nee. Dromen is het niet, Michelle staat namelijk al naast ons bed.
“Het heeft gesneeuwd!” roept ze.
En weg is ze.
Even later horen we met een harde klap de achterdeur dichtvallen.
Het is stil in huis, zó stil dat het niet anders kan dan dat er heel wat sneeuw gevallen is. Ik trek de gordijnen open en zie dat het nog steeds sneeuwt. Het pak sneeuw op het dak van de veranda nadert de onderkant van het kozijn op de eerste verdieping.
Dit is precies wat we hoopten toen we op het punt stonden om te verhuizen: ladingen sneeuw waar je alleen maar van kunt dromen. Polar Express-sneeuw.
Misschien leuk!?